Het ontstaan van de visserij te Egmond aan Zee

Pagina's: 1 2 3 4

De ontwikkeling van Pinck naar Bomschuit

Het is erg moeilijk om een duidelijk onderscheid te maken in de benamingen en aanduidingen van de scheepstypes. Zelfs in officiële verslagen worden benamingen als “Schuytje” en Pinck door elkaar gebruikt als het over het zelfde scheepje gaat.

Hadden we in 1400 een pinckje van ca. 5,50 meter, in 1670 was de pinck al gegroeid naar een kleine 10 meter. Deze schaalvergroting zette zich voort, omstreeks 1720 werd er vaak gesproken van een dubbele zeeschuit, waarmee een pinck van dubbele grootte als die van Witsen mee werd bedoeld. Tegen 1800 werd meer en meer de benaming bomschuit gebruikt, een benaming die ook al eind 1600 gebruikt werd.

Pincken op het strand bij Egmond

Jan Sander
Pincken op het strand bij Egmond ± 1670

In 1780 werd er te Egmond een bomschuit voor een Amsterdamse reder gebouwd, waarschijnlijk voor de koopvaardij. Deze schuit “Clara Catharina” gebouwd door Jan Planteijdt was 60 A’damse voet over de stevens (ca. 17 meter) breed 20,5 voet (ca. 5.70 meter) binnen de huid en 8 voet hol (2.27 meter). In feite is dit, als men de verhouding uittekent, een heel grote pinck. Deze grote pincken hadden bij een strandexplotatie een geringere levensduur als de andere pinken, de inhouten op het vlak braken regelmatig, wat de schuit ernstig verzwakte. De schaalvergroting werd voornamelijk in de breedte gezocht. De lengte/breedte verhouding werd ca. 2 : 1. De in 1859 voor Teun Planteijdt gebouwde bomschuit “Johanna Elisabeth” was 42 voet over de stevens (11.90 meter) bij 20,5 (5.70 meter) een stuk kleiner dan die uit 1780. Ter verkrijging van een zeebrief, is deze schuit in 1861 opgemeten te Den Helder, gemeten op 18 last. Bij de meting omschreven als bomschuit, maar in het register van de zeebrieven omschreven als “Pink", terwijl “de Vriendschap” van reder Gerrit de Groot, gemeten op 15 last staat ingeschreven als “Bom".

Scheveninger Job van der Ende (1884 -1971) die in zijn jeugd nog bomschuiten heeft zien bouwen, ging na zijn pensionering in de jaren 50 van de vorige eeuw op zoek naar de oorsprong van de Scheveningse bomschuit. Uiteindelijk kwam hij in Egmond terecht. In 1958 bezocht hij de Abdij van Egmond Binnen en sprak tevens met de oud directeur van de Egmondse visserijschool, de heer van Eenenaam. De conclusie van Job van der Ende was “de Scheveningse bomschuit vond zijn oorsprong in de ‘Egmonder Pinck’,” iets wat wij als “Derpers” niet zullen bestrijden.

J. Sander

Bronnen

Een amateur-historicus schreef eens aan het eind van zijn artikel, in plaats van de gebruikelijke bronvermelding: “Van wie ik het overschreef". Het waren de niet altijd bij name genoemde monniken die de Egmondse geschiedenis beschreven. Belastingambtenaren eisten hun procenten, leden van visserij colleges deden hun verslag. Historici maken dankbaar gebruik van deze bronnen en schrijven hun artikelen. Veel van deze artikelen, o.a. van J.T Bremer, Drs. Boelmand Kranenburg en Willem van de Berg zijn bij ondergetekende aanwezig. Het geheel is aangevuld met eigen onderzoek in o.a. “de Alkmaarse Courant” en “Het verslag van de staat der Nederlandsche zeevisscherijen".

Pagina's: 1 2 3 4

Contact opnemen

Als u contact met ons op wilt nemen kan dat via e-mail. Overige contactgegevens zijn ook beschikbaar.